Project Description

Dit verhaal is een aflevering in de serie Booker en de Zeven Verhalen, waarin ik elke keer één van Bookers archetypische verhaalstructuren te grazen neem. Dit zijn korte verhalen, geschreven in 1 adem, zonder tijd voor reflectie, correctie of wat voor kwaliteitscontrole dan ook.

In deze aflevering: Overcoming the Monster.

Overcoming the Monster-verhalen gaan meestal zo: een verschrikkelijk, lelijk, levensgevaarlijk, onaardig en bijna onverslaanbaar monster moet nodig eens aangepakt worden. Gelukkig is er de held, die als enige in de hele wereld in staat is het monster te verslaan.

Zo’n monster kan van alles zijn: een draak (zie hieronder), een tovenaar (Harry Potter), een bijdehante flapdrolvillain (Dr. No).. Als-ie maar kut en sterk is en alles kapot wil maken.

Dit is mijn versie.

Ridder Roel en de verschrikkelijke teringdraak

Overcoming the monster

Ik heet Roel. Mijn vrienden noemen me Ridder Roel, vanwege een incident met een heleboel drank, een komkommer en een keukenmes. Niet belangrijk. Dat is niet het verhaal dat ik je ga vertellen.

Dit verhaal speelt zich lang geleden af, in een oord hier ver vandaan. Utrecht, 2013. Maar ik herinner me het nog als de dag van gisteren.

Het het was pas halverwege de zomer, maar de bladeren waren alvast met uitzonderlijk enthousiasme van de bomen gesprongen om zich aan de natte Nederlandse wegen vast te koeken en te zorgen dat je zelfs als het al dagen niet geregend had (wat overigens niet voorkwam, maar stel je even voor) dat je dan toch nog met zeiknatte slijmschoenen thuiskwam. Over alles hing een koude, grijze mist. Fucking herfst. En het was pas nauwelijks augustus.

De herfst is echt het meest verrotte jaargetijde, vind je niet? Het enige jaargetijde waarin je eigenlijk niet buiten kan zijn. Als het koud is, zoals in een goeie winter, kan je tenminste nog klagen over de kou terwijl je handenwrijvend binnenkomt. Maar echt koud is het niet, alleen nat en oncomfortabel en net niet erg genoeg om echt oprecht ergens boos over te zijn.

De KNMI snapte er niks van, van deze vroege herfst. Dag in dag uit voorspelden ze verbetering, maar het werd niet beter. Het leek alsof iemand een blik lauwe soep had opengetrokken.

Piet Paulusma keek elke dag een beetje sipper als hij weer zijn inmiddels tot catchphrase verworden zin uitsprak: “volgens onze radarbeelden wordt klaart het morgen eindelijk op”. Maar als je ’s ochtends met tegenzin je bed uitrolde en uit het raam keek, zag je het meteen: dat wordt weer kutweer, vandaag.

Ik zat op een avond thuis, alleen, te lezen in een of ander boek waarvan ik de naam niet meer weet (zal wel een goeie geweest zijn, dan). De regen piste tegen mijn raam. Mijn natte kleren deden op de verwarming een poging om droog te worden, maar ze slaagden er vooral in om mijn studentenkamertje de ambiance te geven van een roedel natte honden in een Finse sauna.

De telefoon ging. Met een beetje tegenzin nam ik op. Niet dat ik nou zo lekker in mijn boek zat – ik was vooral bang dat ik naar buiten moest, naar een of ander feestje of zo. “Roel,” hoorde ik Thomas zeggen. Alarmbellen. Niemand noemt me Roel. Alleen mijn moeder noemt me Roel. Wat is er gebeurd met ‘Ridder Roel?’

“Roel, zet je TV even aan. SBS 6.”

Hij wilde zeker weer dat ik Temptation Island zou gaan kijken. Terwijl ik hem al een miljoen keer had gezegd dat ik weinig dingen erger vind dan Temptation fucking Island. Met een zucht klikte ik de TV aan en naar de zender die schaamte en zelfhaat op een ongekend voetstuk heeft weten te zetten. “Waar heb je ’t over, vriend,” mompelde ik in de telefoon. “Ik zie alleen maar ruis.”

“Wait for it,” zei Thomas.

“Is de zender uitgevallen of zo?” Thomas kon altijd enthousiast worden van de raarste dingen.

“Wacht nou effe. Het herhaalt elke paar minuten. Kijk daar is ‘ie weer!”

Op het scherm was plotseling een gestalte verschenen. Het had een gezicht, maar het was een verre van menselijk wezen. Zijn haar, als dat het was, drapeerde over zijn troebele ogen als lappen gordijn die maandenlang onderop een stapel afwas in een studentenhuis hadden gelegen. Waar zijn wangen hoorden te zitten zaten groenbruine, stekelige uitsteeksels.

“What the..” stamelde ik.

Op dat moment opende het ding zijn muil, waarin een onvoorstelbare chaos heerste. Tentakels, tanden, een schimmelende tong, vlammen en een curieus wit dingetje dat onafhankelijk van de rest leek te bewegen streden allemaal tegelijk om mijn aandacht.

“Holy f-” begon ik, maar ik werd onderbroken door het afgrijselijke geluid dat het wezen plots mijn kamer in braakte. Ik had nog nooit iemand horen reutelen, maar dit was het dus, dacht ik. Dit is hoe reutelen klinkt.

“Staat ‘ie aan?” reutelde het Ding. “Ok thanks. Gegroet, aardbewoners. Specifiek die in Utrecht en omstreken. Mijn naam is GRAAAAAARK-” het geluid van zijn naam deed me ineen krimpen in mijn stoel.

“.. maar jullie mogen me aanspreken met mijn titel: de Draak van de Bilt. Zoals jullie gemerkt hebben, is het ongelooflijk kutweer. Toch? Hier houden jullie niet van hè? Al die regen? Natte bladeren? Dacht ik al.”

De Draak maakte een geluid alsof het een stuk modder inhaleerde.

“Nou, ik houd dus niet van jullie,” ging hij verder. “Verachtelijke wezentjes zijn jullie. Niet persé in Utrecht alleen hoor, maar gewoon alle Nederlanders. Jullie vinden jezelf zo’n vooruitstrevend, intelligent en all-round geweldig volk. Globetrotters. Wereldveroveraars. Ideale schoonzoontjes. Maar in werkelijkheid kunnen jullie niks. He-le-maal niks. Ja, zeiken, dat kunnen jullie. Op de trein, op het weer, zelfs als jullie op vakantie zijn en met je luie reet in een ligstoel liggen te vegeteren kan er altijd wel iets beter. RHAAA!”

Tegelijk met het ijzingwekkende geluid begon de regen nu nog harder tegen het raam te slaan. Een tak brak van de boom voor mijn raam en stortte zich met een natte pets op het fietspad.

“Niet langer, zeikstralen. Ik heb mij genesteld in de Bilt, waar jullie zo’n gezellig weerstationnetje hebben staan. Het kostte me even flink wat eetlust om al die mafkezen daar te verorberen, maar inmiddels zit ik hoog en droog in de controlekamer, waar ik jullie weerpatroon kan besturen.”

De draak barste uit in wat waarschijnlijk een demonische lach moest voorstellen. Het klonk voornamelijk als een klotsende bak pannenkoekbeslag.

“Vanaf hier kan ik mijn invloed langzaam uitbreiden en mijn invloedssfeer over het hele land uitspreiden. Voor de winter aanbreekt zal het hele land voor eeuwig zijn ondergedompeld in jullie grootste nachtmerrie: eeuwige herfst!”

Het ding explodeerde weer in een klotsende lachstuip, waarna het beeld kort op zwart sprong.

“Ooo..kay” zei ik tegen Thomas.

“Right?!” zei hij. “Maar wacht effe, man, let op wat hij nu gaat zeggen.”

“Oh, nog een ding,” zei de draak toen het beeld weer terugfloepte. “Om mijn macht te demonstreren daag ik jullie allergrootste zeikerd uit om mij te komen opzoeken. Even kijken hoor…”

Met een rafelige tentakel bracht hij een nat papiertje naar een van zijn ogen.

“Ridder Roel, wonende op de Vleutenseweg. Volgens mijn gegevens ben jij de grootste eikel van heel Utrecht. Pak je shit en kom tegen me vechten, eikel.”

Met de telefoon in mijn verkrampte hand zat ik zo nog minstens een minuut of vijf naar de ruis van mijn beeldscherm te kijken. Ik schrok pas wakker uit mijn shock toen het beeld opnieuw terugschakelde naar de gore tronie van de Draak. Snel zapte ik weg naar een andere zender.

“… herhalend beeldmateriaal van een wezen dat zegt het weer te kunnen beïnvloeden,” zei de nieuwslezer op NPO1. “De autoriteiten verzoeken Ridder Roel, of anderen die mogelijke informatie hebben over zijn identiteit, contact op te nemen met de politie via het speciale nummer…”

Met bevende vingers klikte ik de tv uit. Een dreigende stilte vulde de kamer, die na een paar seconden verbroken werd door de stem van Thomas, die nog steeds aan de telefoon hing. “Roel? Alles oké?”

Ik sliep die nacht als een doornroosje. Nee, dat is niet waar. Ik sliep natuurlijk voor geen meter. Wat zou jij doen als je door een verschrikkelijke herfstdraak op nationale televisie werd uitgedaagd? Eentje die je bij je bijnaam noemt, ook nog eens.

De hele nacht twijfelde ik wat ik moest doen. “Ridder Roel” was vaag genoeg om me gewoon onder de dekens te blijven te verstoppen en te doen alsof er niks aan de hand was. Mijn telefoon had ik uitgezet, want er begonnen steeds meer vrienden te appen en te bellen. Eentje heb ik nog opgenomen, maar ik kon niet veel meer uitbrengen dan “tja, ik weet het ook niet dude. Wat moet ik doen?”

Toen ik hem weer aanzette, tegen een uur of acht in de ochtend, begon het meteen weer. Eerst mijn vrienden, een voor een. Soms tegelijk. Na een uurtje werden het ook onbekende nummers.De teller gaf een hoeveelheid gemiste oproepen aan die ik nog nooit op een telefoon had gezien. Verdoofd schakelde ik hem uit en liet hem achter mijn bed vallen. Ik strompelde met opgezwollen ogen naar de koelkast en pakte er een biertje uit.

Ik kreeg het de hele ochtend en middag voor elkaar om het probleem netjes op te bergen in het rommelhok van mijn brein, tussen de vergeten herinneringen aan afwijzingen, beschamende one night stands en rekeningen waarvan de eerste aanmaningstermijn nog niet verstreken was.

Tegen de volgende ochtend moet ik toch even weggedommeld zijn, want ik werd wakker in een waas van de deurbel. “Flikker op!” riep ik, maar de beller liet er geen gras over groeien. Ik trok de capuchon van mijn vuile trui over mijn hoofd. Hielp niks.

“POLITIE! OPEN DOEN!” hoorde ik een stem door gang galmen. “Godver,” mompelde ik en kwam moeizaam overeind. Onderweg naar de deur stootte ik een paar lege bierblikjes omver. De waas hielp, alvast. De scherpe randjes waren er een beetje vanaf.

Op de gang stond ik even stil om mijn evenwicht te vinden. Een besnord stel lippen verscheen door de brievenbus. “POLITIE! OPE-” riep de snor.

“Ja ja ja,” onderbrak ik hem. Bij de deur bleek dat ik mijn sleutel vergeten was, dus ik bukte me om door de brievenbus terug te roepen. “Wat?”

“Ridder Roel?” zei de Snor, met zijn gezicht ongemakkelijk dicht bij me. Als ik nu mijn vingers door de brievenbus stak, kon ik hem zo aan zijn snorharen tegen de deur trekken. Ik moest grinniken om het idee. En om de bijnaam, geef ik toe.

“Who’s asking?” probeerde ik nog. Daar nam ‘ie geen genoegen mee.

“Doe de deur effe open, we willen even met je praten.”

“Moet dat?” vroeg ik.

“Yep. We hebben een bevel tot binnentreden. We kunnen ook de deur intrappen als je dat liever hebt?”

“Nee, nee, okay. Ik ga even m’n sleutel pakken, momentje.”

Toen de deur open kraakte verschenen er twee mannen in uniform met automatische geweren aan een band om hun lichaam. De snor bleek vanaf zijn bovenlip verder kaal te zijn. De andere man had een vierkante kop met vierkant haar. Hun kogelvrije vesten maakten ook hun borst een beetje vierkant, alsof het legopoppetjes waren. Ik wilde nog vragen waar die vesten voor dienden, of de draak soms een pistool had weten te bemachtigen of dat ze soms bang waren op elkaar te schieten, maar ik hield het voor me.

“Roel Griffioen. We hebben orders om je te escorteren naar ons hoofdkwartier in Zoetermeer. Weet iemand dat je hier bent?”

“Uh, ja, dit is mijn huis.”

“Natuurlijk. Oké, pak je spullen. We gaan.”

“Wat gaan we doen?”

“Dat is geheim. Opschieten, we hebben weinig tijd.”

De mannen liepen mee door de gang mijn kamer in. De Snor schopte laatdunkend een van de bierblikjes omver. Ik pakte een tas, smeet er mijn telefoon een tshirt, ondergoed en een tandenborstel in en greep in het voorbijgaan nog een vol blikje bier mee. Ontbijt kwam later wel.

Achter in de auto, een zwarte Ford zonder markering, deed ik nog een poging om contact te krijgen met de twee stugge gasten. Ik was aardig dronken, dat hielp.

“Mooie guns, boys. Nieuw?” probeerde ik. Geen reactie.

“Kunnen jullie me iets vertellen?”

“We zijn onderweg naar het hoofdkantoor van de AIVD,” zei de Snor vanuit de bijrijdersstoel. “Daar zal je nader gebrieft worden. Je hebt de film gezien?”

“Die draak van gisteravond. Yep.” antwoordde ik. “Maar wat heb ik ermee te maken? Hebben jullie het niet onder controle? Wat kan ik beginnen tegen dat ding?”

“Wij kunnen je weinig vertellen,” zei de Vierkante Man. “Je zult moeten wachten tot we op het kantoor zijn.

“Kunnen jullie ‘m niet gewoon bombarderen?” vroeg ik. Geen reactie. “Lekker stereotiep, gasten,” mompelde ik en stak een sigaret op. Door de droge, hete lucht kreeg ik meteen de hik, dus pakte ik mijn biertje uit de tas en klikte het open.

De Vierkante draaide zich half naar me toe en wilde er duidelijk iets van zeggen, maar de Snor maakte een handgebaar, en hij deed er het zwijgen toe. De rest van de tocht werd de stilte alleen verbroken door mijn slokken en mijn aansteker, die overuren maakte om de ene sigaret na de andere aan te steken. De peuken drukte ik uit tegen het raam, dat niet open kon. En de regen, natuurlijk. Die kwam met bakken naar beneden. Het leek wel of we over de snelweg voeren.

De auto kwam tot stilstand voor het hoekige gebouw. “AIVD” stond er op een bordje. Eronder stond een kenteken. De mannen stapten uit en deden de achterdeur open, waarbij het lege bierblikje met een holle ratel op de stenen viel. De mannen liepen aan weerszijde met me mee het gebouw binnen, een lift in, een gang door en door een glazen deur een kantoor in waar een gezelschap van een stuk of tien mannen en vrouwen in uniform me verwachtingsvol aan stond te kijken. “Dit is ‘m?” vroeg een vrouw in een strakke, knielange rok.

“Ja, officier,” zei de Snor.

De vrouw richtte haar blik op mij. “Roel Griffioen. Je bent hier vanwege het incident met de Draak van De Bilt. Ik neem aan dat je bekend bent met hetgeen gisteravond voorgevallen is?”

“Ja,” mompelde ik, een beetje geïntimideerd door de hoeveelheid ogen die zich strak in de achterkant van mijn bonkende schedel leken te boren.

“Zoals je begrijpt, is dit een zaak met nationaal veiligheidsbelang. We hebben verscheidene tactieken getest om de Draak, zoals de verdachte zichzelf noemt, te neutraliseren. Echter-”

Ik kreunde zacht van ergernis. Ik haat dat woord. ‘Echter’. Wie zegt dat nou in een conversatie?

“Echter lijkt hij rondom zijn schansplaats in het weerstation een barrière te hebben opgeworpen die we tot nog toe niet hebben kunnen doordringen. Hij lijkt een soort electronisch poortmechanisme te hebben geïnstalleerd dat we niet open krijgen. We hopen dat jij ons daarbij kunt helpen.”

“Ik? Hoezo denken jullie dat ik iets kan doen?”

“Omdat er bij de poort een bordje hangt met de tekst “Alleen te openen door Ridder Roel.”

“Ah.” zei ik. Er viel een verwachtingsvolle stilte. Ik had nog steeds de hik.

Toen ze doorhad dat ik niet echt iets ging zeggen, ging ze verder: “Geen zorgen, je hoeft niks te doen. We willen alleen dat je met ons meegaat om te kijken wat er gebeurt als je met het systeem interacteert. Je wordt begeleid door een speciale eenheid van het KCT.”

“KCT?” vroeg ik.

“Korps Commandotroepen,” zei ze en ze knikte naar iets achter me. Acht zwaarbewapende mannen in legeruniform stapten mijn gezichtsveld binnen. Een van hen deed een extra stapje naar voren en gaf me een overdreven stevige handdruk.

“Eerste luitenant Willems. Ga met ons mee, alsjeblieft.”

Hulpeloos keek ik naar de vrouw in de rok. Ze knikte me bemoedigend, niet geheel onsympathiek toe.  Er zat niks anders op dan mee te lopen.

In een ruimte die wat leek op de kleedkamer van een voetbalclub kreeg ik voor ik het goed en wel doorhad een kogelvrij vest en een holster met een pistool omgehangen. “Protocol”, zei Willems. We gaan er vanuit dat je deze niet hoeft te gebruiken. Ik mag godverdomme hopen van niet. In elk geval zit hier de veiligheidspal, mocht het toch zover komen.”

Hij liet het zien op zijn eigen pistool, dat hij in een soepele beweging uit een verborgen holster haalde.

Met een bruuske beweging dumpte een van de andere mannen een militaire helm op mijn hoofd.

“Kom mee,” zei Willems. De mannen escorteerden me naar de lift, het gebouw uit en duwden me in een legergroene Jeep.

Een half uur zat ik zwijgend tussen twee bonkige mannen op een zijdelings geplaatst bankje in de achterruimte van de auto. Buiten zag ik weinig anders dan de regen, die in steeds heftiger wordende golven over het raampje tegenover me stroomde. Misschien kwam het omdat ik aardig dronken was, maar ik voelde me best wel cool. Kijk mij nou. Onderweg naar een draak. Ik probeerde een sigaret aan te steken, maar de vent naast me pakte hem rustig maar beslist uit mijn hand.

De auto kwam hard remmend tot stilstand en de achterklep zwaaide open. Binnen een fractie van een seconde stonden we al buiten in de stromende regen.

Het weerstation was nog net zichtbaar door de bijna solide regen. Een toren met een witte bol bovenop priemde uit boven de vreemd uitziende muur, die een meter of vijf hoog was en zo te zien volkomen glad. Bij een iets lager deel van de muur stond een groep van nog minstens dertig zwaar bewapende mannen, een tank en nog een paar militaire voertuigen die ik niet helemaal kon plaatsen.

“Kom mee!” schreeuwde Willems over het gebulder van de regen. In ongemakkelijk snelle looppas bewogen we richting de groep, die zwijgend uit elkaar ging om ons door te laten.

Bij de poort, als je het zo kon noemen, hing inderdaad een bordje waarop met vlekkerige letters stond “Alleen te openen door Ridder Roel.” Eronder stond iets wat de vrouw met de rok er niet bij had gezegd. Ik stapte dichterbij om te lezen wat het was. “Eikel” stond er in net zo slordige hanenpoten. Nice.

Op dat moment knipperde er een scherm aan op een plek waar daarvoor nog niks zat. Het gezicht dat ik die avond ervoor op TV had gezien verscheen in al zijn slijmerige glorie. “Welkom op mijn nest,” rochelde het gezicht. Stilte.

“Uh. Hai. Ik ben Roel. Uh, Ridder Roel dus. Ik ben-” begon ik, maar de stem onderbrak me.

Dit is mijn automatische antwoordsysteem. Ik heb weinig zin om mijn tijd te verdoen met onzinnige militaire bullshit, dus ga Ridder Roel halen. En als je hem bent, spreek dan effe wat in na de piep, dan komen we zo spoedig mogelijk bij je terug.”

“Godverdegodver,” mompelde ik. Achter mij zei een stem zacht “het is een soort antwoordapparaat.” Ik draaide me om en wierp hem een pissige blik toe. “No shit, captain obvious.”

Ik draaide me weer naar het scherm.

“Okay, vriend. Ik ben er. Doe open.”

Pieeep,” antwoordde het antwoordapparaat.

“Godverdomme! Ga je me nog lang in de regen laten staan? Want het is fucking koud. Eikel.”

Het scherm sprong op zwart en verdween weer in de muur. Verder gebeurde er vooral helemaal niks. Ik draaide me om naar Willems. Hij haalde zijn schouders op. De andere mannen schuifelden ongemakkelijk met hun voeten. Een van hen verhing zijn machinegeweer van zijn schouder, maar werd halverwege de beweging onderbroken door een witte bol, zo groot als een watermeloen, die uit het niets uit de lucht kwam vallen en met een ziekelijk gekraak zijn lichaam reduceerde tot een gemangeld hoopje vlees.

Het gebeurde in een fractie van een seconde. Voordat ik met mijn ogen kon knipperen, waren alle militairen om me heen al bedolven onder enorme berg van de gladde witte stenen. Op de plek waar net nog een tank stond, lag nu een enorm wit blok ter grootte van een bescheiden flatgebouw. Op de ongenadig rammende regen na was het stil.

In een waas bukte ik me om een van de bollen aan te raken. Het oppervlak was glad met kleine bobbels, en ijskoud. Het had iets rustgevends om er aan te zitten.

Toen schrok ik op door een geluid achter me. Ik sprong op en zwaaide om in de richting van het geluid. De poort was opengeschoven, en voor me lag een lang, wit pad richting het gebouw met de toren.

“Fuck, no,” mompelde ik, maar voor ik de gedachte af kon maken stak er een geweldige wind op die me in mijn rug het pad op dwong. Ik probeerde weerstand te bieden, maar de orkaanwind dwong me over het gladde pad in de richting van het gebouw.

De witte bol torende steeds dreigender boven me uit naarmate ik dichterbij kwam. Vergeefs vechtend tegen de wind werd het gebouw steeds groter. Naast de toren stond op de grond nog een enorme witte bol. Ik was er ooit wel eens langs gereden, met wat vriendelijker weer, maar het zag er in deze omstandigheden plotseling wel heel drakerig uit. Zo hadden de architecten het vast niet bedoeld.

Toen ik vlakbij was, sneed er een gigantisch kabaal door het gebrul van de nog altijd heftiger wordende regen. De grote witte bol barstte open en een gigantisch stel grijsgroene, slijmerige vleugels gooide de gebroken stukken wit in een ander stuk gebouw, dat een beetje zielig half instortte.

Het gezicht van de Draak kwam tevoorschijn. Gigantisch. Zo groot had ik het beest niet verwacht.

“Ridder Roel,” reutelde de stem met het volume van een stadionspeaker.

“Holy shit,” mompelde ik.

“Ik dacht dat je het lef niet zou hebben om te komen. Maar kijk eens aan.”

“Tja, ik verveelde me,” schreeuwde ik terug.

“Wat wil je van me?”

“Och, gewoon, the usual,” zei het wezen. “Een beetje half vriendelijk met elkaar babbelen, doen alsof er niks aan de hand is, en dan denk ik dat ik je kop van je romp bijt. Wat vond je van mijn hagelstenen?”

“Waarom doe je dit? Wat heb je te winnen bij dit kutweer? Wil je ons nog extra chagrijnig hebben?”

Zijn gruwelijke lach blies me bijna omver. “Jullie mensen. Altijd zo rationeel. Nee, ik vind jullie gewoon een stel zeikerds en had zin om jullie een beetje te stangen. Jou vooral. Eikel.”

“Jezus.  Je hebt geen groots plan om de wereld over te nemen? Geen schat om op te komen halen? Dit hele verhaal betekent helemaal niks? Is er niet iets van een intergalactische drakenunie of zo die je verbiedt om zomaar te fucken met andere wezens?”

“Ach, jongen, wees toch niet zo verbaasd. Jullie hele leven betekent toch helemaal niets? Kijk nou hoe jullie leven. Jullie zijn een lachertje. Praten alleen maar over je spullen, over je huis, over wie er een mooiere auto heeft. Over jullie holle tv-programma’s. En maar op vakantie gaan en doen alsof je je horizon verbreedt. Lege hulzen, dat zijn jullie. Niemand geeft een fuck om jullie.”

Ik zweeg even. “Maar ik geef ook niks om die dingen,” zei ik. “Ik heb net zo’n hekel aan die onzin als jij.

“Ach, laat me niet lachen. Je loopt net zo hard mee als de rest. Je vindt jezelf alleen cooler omdat je doet alsof je je aan die bullshit onttrekt. Maar het is een dun laagje verf, m’n cynische vriend, en iedereen prikt erdoorheen.”

Ik dacht na. “Ken je Temptation Island?” vroeg ik.

“Wat?”

“Je hebt gelijk. We zijn stompzinnig in die dingen. Temptation Island, man. We verdienen het wel om van de aardbodem geveegd te worden, vanwege dat verrotte kutprogramma alleen al. Iedereen kijkt het. Met een air van ironie, alsof ze het niet serieus nemen en er zelf boven staan. Maar dan ondertussen wel braaf iedere week voor de buis zitten wachten tot de reclame afgelopen is en Sjonnie weer met Shanisha gaat neuken terwijl zijn vriendin zogenaamd thuis zit. En maar met z’n allen doen alsof het een guilty pleasure is. Guilty pleasure, m’n reet. Ze zijn net zo verstrikt als de rest van al die goudvissen. Weet je, doe het maar, dat met die kop en die romp waar je het net over had. Nu we het erover hebben is dat eigenlijk de humane oplossing.”

“Haha, holy shit man,” zei de Draak. “Daar gaat ‘ie hoor. Ouwe zeikerd spreekt voor de mensheid. Zó erg kan het nou ook weer niet zijn, toch?”

“Wil je ’t zien?” zei ik, en ik pakte mijn telefoon uit m’n zak en zocht zo snel als mijn vingers het toestonden een herhaling van een aflevering.

De Draak brieste en keek strak naar het minuscule schermpje van mijn telefoon, waar de eilandrollebollerij zich ontvouwde in al zijn gillerige glorie. Hij was gefascineerd. “No way…” mompelde hij. Met een van zijn tentakels pakte hij de telefoon van me over, ging op een stuk weerstation zitten en raakte volledig verdiept in het scherm. Af en toe kwam er een gedempte grinnik uit zijn gore gelaat.

“Is dit echt?” vroeg hij.

“Ja, man.”

Volledig verdiept in het programma staarde de Draak naar mijn telefoon. Langzamerhand zakte zijn mond steeds verder open. Ik zag nu het witte bewegende dingetje dat zich in zijn keel huisvestte. Dit was m’n moment. Het was een pure gok, maar ik bewoog behoedzaam mijn hand naar het pistool en klikte het veiligheidspalletje eraf. Eén schot..

In een zo onopvallend mogelijke beweging pakte ik het pistool. De Draak merkte niks. Zo langzaam als ik durfde richtte ik het wapen op zijn keel, kneep één oog dicht, en haalde diep adem.

Het schot kliefde door de bulderende regen.

Met een schok keek het beest me aan, zijn ogen wijd opengesperd. Een ijzingwekkend geluid rees op uit zijn keel en steeg op over de Biltse velden. Het was een van de luidste dingen die ik ooit in mijn leven heb gehoord.

Met wijd opengesperde ogen zeeg de Draak ineen voor mijn voeten. Mijn telefoon gleed uit zijn slaphangende tentakel. “Eerste kampvuur: jij huilt, jij huilt en jij gaat huilen, ik zweer het je.” hoorde ik Rowena uit de speakers.

Net zo plotseling als de ellende begonnen was, stopte nu de regen. Het werd zowaar iets lichter. De Draak sidderde nog een laatste stuiptrekking voordat het witte dingetje treurig uit zijn keel rolde. Een perfect rond gat prijkte in het midden. Ik zou daar een prijs voor moeten krijgen.

De wolken bewogen langzaam uiteen. Het leek ineens een prachtige dag te gaan worden. Nou ja, weercijfer 7. Het blijft een Nederlandse zomer, natuurlijk.