Perfect is de vijand

Mijn auto heeft een eigenaardig gevoel voor humor. Dat zie je al als je ‘m ziet staan, met z’n guitige oranje kleur, z’n versleten hoekjes en roestplekken, en z’n vrolijke ronde koplampjes. En z’n karikaturaal vierkante vorm – het is echt een auto zoals een kind ‘m zou tekenen.

Maar je merkt het vooral als je erin rijdt. Het is een automaat, en die versnellingsbak is net zo oud als de auto zelf (en daarmee bijna tien jaar ouder dan ik), en die heeft soms een beetje een eigen wil. Waardoor het vaak lijkt alsof je snelheid vooral wordt bepaald door het humeur van de auto, in plaats van door hoe hard je het gaspedaal intrapt.

In het knipperlicht, linksachter, zit een contactje los. Niet los genoeg om te vinden waar het euvel zit, maar wel los genoeg dat hij op random momenten ermee ophoudt. Dan check ik van tevoren uitgebreid of m’n knipperlicht het doet – een van de items op mijn letterlijke pilotenchecklist die in de auto ligt – helemaal prima. Klik klak, klik klak. En dan besluit ie op het moment dat je de ring op rijdt dat je wel genoeg richting aangegeven hebt voor één dag. Kan je de rest van de rit niet meer inhalen en alleen nog maar rechtsaf.

It sucks, but i love it.

Ik hoef geen Tesla. Mijn auto hoeft niet snel te zijn of perfect of zelfs mooi. Ik hou van spullen met karakter. Spullen die mooier worden naarmate ze ouder worden. Een gietijzeren pan, die door inslijten een betere anti-aanbaklaag krijgt. Een oude gitaar die met de jaren steeds beter gaat klinken.

De Japanners hebben een uitdrukking voor de schoonheid van de imperfectie: wabi-sabi. Wabi: eenvoud, stilte, ruimte, de eenzaamheid van een leven in de natuur. Sabi: vergankelijkheid, tijdelijkheid, slijtage, eigenheid, de dingen die voorbij gaan. Spullen met karakter, dus.

Een kunstenaar die wabi-sabi implementeert maakt een werk met de wijsheid van de natuurlijke eenvoud, namelijk het besef dat de natuur mooi is omdát ze imperfect is. De natuur probeert niet mooi te zijn: de natuur is gewoon aan het zijn.

Perfectie is de vijand.

Toen ik vorige week vast zat in een schrijfopdracht waar de druk nogal op stond, was ik dat even helemaal uit het oog verloren. Ik probeerde uit alle macht iets te maken dat m’n klant echt goed zou vinden, iets dat mijn pompeuze salesproces, waarin ik behoorlijk hoog van de toren heb geblazen, waardig zou zijn. Een enkeltje naar writersblocktown, dus.

Want perfectionisme is zand in de motor. Het garandeert dat je knarsend en piepend en zelfhatend tot stilstand komt. En toch lopen we allemaal te doen alsof we dat streven naar het perfecte niet los mogen laten. Alsof wij schrijvers de Grote Uitzondering zijn: wij dragen de last van perfect werk altijd met ons mee.

Maar het is toch goed om te streven naar perfect?

Nee dus, helemáál niet. Want perfect bestaat niet, dus je mislukt altijd. En streven naar mislukking is een garantie voor verdriet. En het ironische is dat je werk er dus helemaal niet beter van wordt. Want de eigenheid van de natuur zit ‘m nou juist in het imperfecte. Het karakter in je werk zit ‘m in je eigenaardigheden – je rare taalgebruik, je kromme metaforen, je malle grapjes. Al die dingen die je eruit poetst in je obsessie met perfectie.

In plaats van perfectionisme zou ik willen pleiten voor de veel waardevollere maatstaf die wabi-sabi je geeft. Eenvoud en imperfectie. Omarm dat je niet alles kan zeggen. Sluit vriendschap met de onvermijdelijke slordigheden die in je werk sluipen. Leer dansen met je angst om iets te maken dat niet goed genoeg is. Bevrijd je werk uit de klauwen van de gladgestreken wereld. Want plastic teringzooi hebben we al genoeg in de iPhonemaatschappij.

Geef jezelf toestemming.

Geef jezelf toestemming om te spelen. Geef jezelf toestemming om op je bek te gaan. Geef jezelf toestemming om halfbakken, slordig werk te maken dat niet aan je standaard voldoet.

Perfect werk bestaat niet. Dus alleen als je jezelf toestaat om imperfect te zijn, sta je jezelf toe om te zijn.

En alleen als je jezelf toestaat om te zijn, kun je werk maken dat ertoe doet.

.