Nee, je bent niet gek

Zwem als een dolfijn

Zeven ijverige jongetjes hielden zich vast aan de rand van de ondiepe kant van het zwembad, met een prachtig uitzicht op de ingegroeide groteteennagel die uit de badslipper van de zwemjuf stak.

Met mooie dolfijnenboogjes moesten we naar de overkant van het ondiepe zwembadje. Om de basis van het duiken te leren, denk ik.

Ik was altijd al een goeie zwemmer, en ik had een aardig inbeeldingsvermogen, dus ik zag het wel voor me, die dolfijnenduik.

Maar toen mijn klasgenootjes voor me uit van start gingen (ik was ook een beetje een dromer, dus startte altijd net iets achter de rest) zag ik ze iets heel anders doen dan de dolfijnen in mijn hoofd deden. Ze hielden hun hoofd boven water, en sprongen met de borst vooruit.

Even twijfelde ik aan mezelf, want ze deden het allemáál zo – spatterend en springend op een manier die me meer deed denken aan een zeehond – maar toen dacht ik: ze zei dolfijn. Ik doe gewoon een dolfijn.

Dus bewoog ik op mijn eigen manier naar de overkant, duikend en boogjes makend zoals ik dacht dat een dolfijn dat zou doen. En het werkte, want toen ik aan de overkant bovenkwam, stond de juf op en neer te springen en naar me te glimlachen en te roepen dat ik het heel goed deed en dat iedereen naar Laurens moest kijken want die deed een hele goeie dolfijn! En toen mocht ik een ererondje voordoen hoe een dolfijn duikt terwijl de hele klas naar mij moest kijken hoe goed ik dolfijnenduiken kon doen.

Kleine Laurens voelde zich een kleine held. Een dolfijnenheld. Mijn blik richtte zich trots op, weg van de voeten en de ingegroeide teennagel, richting het plafond. Een tevreden grijns van zelfvertrouwen verscheen op mijn gezicht.

Later in de les deden we nog een keer de dolfijnenduik. Maar zoals ik al zei was kleine Laurens naast een kleine dolfijnenheld ook een kleine dromer. En ondanks dat ik al die andere kinderen precies dezelfde zeehondenplons zag doen als eerst, en ondanks dat ik daar best uit had kunnen afleiden dat we weer de dolfijn moesten doen, zelfs al had ik de instructie van de juf gemist – toch overwon dit keer de twijfel. En deed ik de logge zeehondenplons na, in plaats van mijn heldhaftige wereldberoemde prijswinnende sierlijke dolfijnenduik.

Ik kopieerde de methode van de rest, in plaats van eerst heel even te denken over het doel van de oefening.

Toen ik aankwam aan de overkant, zakten mijn schoudertjes toen ik de teleurgestelde blik in de ogen van de zwemjuf zag. De rest van de les zag ik vooral haar ingegroeide teennagel.

Ze zullen het wel beter weten

Een van de deelnemers van m’n Schrijversclubhuis vertelde vanochtend dat ze op een netwerkborrel was geweest en dat daar een man (altijd een man, probably wit, boomer, licht obees en met een of ander saai serieus kutbedrijf) meteen aan de slag ging met haar de les mansplainen over dat ze geen goeie pitch had en waarom ze geen visitekaartje (VISITEKAARTJE!) had.

Je zou er haast aan jezelf van gaan twijfelen, als je dacht dat netwerken over contact maken ging. Als je dacht dat het om het menselijke aspect ging, in plaats van over karton en holle woorden. Maar hij zal ’t wel weten, want aan z’n buik en z’n saaie overhemd te zien zit ie vast al héél lang in ’t vak.

Wat is een professional?

Stel: je bent een tekstschrijver. En je ziet om je heen allerlei andere marketeers dik doen over de know-like-trustfactor, bofu-tofu-mofu content, hero/hub/hygiene modellen en customer journey touchpoints. Zo professioneel allemaal.

En jij hebt daar helemaal niks mee. Niet alleen omdat je nooit van je leven al die woorden zult leren begrijpen (laat staan zonder braakneigingen je strot uit krijgen). Maar ook omdat je zo gewoon niet wíl zijn. Voor jou draait je vak om mensen en om contact maken met die mensen.

En dat zet je voor een ingewikkeld blok:

  • Professionals hebben het over allemaal complexe kulmodellen en visitekaartjes;
  • Jij hebt geen idee waar ze ’t over hebben (of hebt in elk geval, naar je eigen inschatting, te weinig kennis om erover mee te praten;
  • Bovendien wil je dat ook helemaal niet;
  • En dus ben je geen professional. En je zult het ook nooit worden.

Het probleem hier zit in de definitie van ‘professional’. Of ‘netwerken’. Of ‘marketeer’. Wat het woord voor jou ook is waar je weerstand tegen voelt.

Want waarschijnlijk heb je geen weerstand tegen de identiteit van een marketeer, netwerker, professional of wat dan ook, maar alleen tegen de definitie zoals je anderen die ziet invullen. En het is hartstikke zonde als jij jezelf deelname aan een van die speelvelden ontzegt, alleen maar omdat je een ander idee hebt over hoe dat eruit hoort te zien.

Want laten we wel wezen: je bent niet gek als je vindt dat professioneel zijn niks te maken heeft met jargonbullshit over je doelgroep heen braken. Je bent niet gek als je vindt dat marketing niet gaat om mensen shit aan te smeren die ze niet nodig hebben. Je bent niet gek als je vindt dat netwerken of verkopen of acquireren niet gaat om zoveel mogelijk mensen in zo kort mogelijke tijd je pitch door de strot drukken.

De wereld zit niet zo ingewikkeld in elkaar dat je er stapels jargon voor nodig hebt. Intuïtief weet je prima hoe het in elkaar zit en wat er belangrijk is. Het gaat erom dat je leert vertrouwen dat je intuïtie klopt. Dat je de instructie goed gehoord hebt, ondanks dat de rest van de klas de zeehondensprong doet.

Je wéét hoe de dolfijn z’n duikjes maakt. Vertrouw jezelf. Negeer de zeehonden. Maak de juf trots.

.