ik heb weinig vertrouwen in je kunnen en je persoonlijkheid

Waarom je niet bang hoeft te zijn voor haatmail

Ondanks dat het gegarandeerd een keer gaat komen.

Als je gaat starten met je eigen content practice (een terugkerende blog, podcast, nieuwsbrief, social media post, of misschien iets met liedjes YouTubevideo’s of tekeningen…), is de belangrijkste vraag niet: wat ga je precies doen?

maar:

Waar ben je bang voor?

Want de realiteit is: bijna iedereen van ons heeft wel goeie ideeën. Maar het is maar een fractie van de mensen dat daadwerkelijk een maker wordt.

De vraag is: waar zijn we bang voor? Waarom voeren we die geweldige ideeën niet uit?

En het antwoord is, bijna universeel: De Anderen.

Wat zullen mensen ervan vinden als ik ineens iets kwetsbaars deel?
Wie zit er op me te wachten als ik ineens over mijn vak begin te praten?
Wat gebeurt er als mensen het niet leuk vinden wat ik zeg?
Wat gebeurt er als ik mezelf laat zien en mensen MIJ niet leuk vinden?

Logisch, dat je dat denkt. Nee, echt! Daar is niks geks aan. Want dat breintje van ons, dat is helemaal niet gebouwd op het internettijdperk. Dat is gebouwd voor het oerwoud. En zijn functie is niet meegegroeid met het waanzinnige tempo van de technologie en de cultuur van de laatste 200 jaar.

Dus dat brein zegt: het open veld is gevaarlijk. Niet teveel opvallen, want tussen het riet zitten van die dino’s die deuren kunnen openmaken (?). Niemand tegen je in het harnas jagen, want als je uit de stam wordt verstoten, word je opgevreten door een leeuw.

Toen hartstikke nuttig, want in een stam van 50 mensen is het belangrijk om iedereen te vriend te houden.

Maar de internetcultuur lijkt in niets op de stamcultuur, en de gevaren zijn in feite omgekeerd. Het echte gevaar is niet om afgewezen te worden: het gevaar is om níet op te vallen.

De functie van de magneet is aantrekken én afstoten.

Ik weet ’t: je zou ’t liefst één van tweeën kiezen. Maar dat kan niet. Een magneet heeft beide polen. Knip er eentje af, en de polen verschuiven zich gewoon. Aantrekken ís afstoten.

Dat betekent ook dat iemand die voor iedereen probeert te zijn, niemand echt raakt. Iemand die nooit iemand op de tenen trapt, staat nergens voor. Je kunt niet kiezen om de afstotende werking van de magneet achterwege te laten, je kunt alleen maar een slappere magneet worden.

Dus dat is waar we ons meestal toe verlagen. Dan maar gewoon een grijze muis blijven. Ondanks dat ik veel te zeggen heb. Het gevaar dat er ooit eens iemand opstaat die zegt: “ik ben het er niet mee eens” is me de moeite niet waard om honderden anderen te proberen te inspireren.

Zonde.

Hier zijn 3 redenen waarom je niet bang hoeft te zijn voor haatmail.

1. Tegen de tijd dat je je eerste haatmail krijgt, heb je al genoeg positiefs meegemaakt

Deze week kreeg ik mijn eerste haatmail. Dit stuurde de persoon in kwestie:

  • Beste Laurens, om meteen in huis te vallen met zulke platte taal-zelfs in de onderwerp regel- geeft mij weinig vertrouwen in je kunnen en je persoonlijkheid.

Best een serieus bericht, op het eerste gezicht. Als je het snel leest, staat er: er bestaat weinig reden om te denken dat je wat kunt of zelfs maar een acceptabel persoon bent. Als ik dit mailtje in week 1 van mijn nieuwsbrief had gekregen, was ik er misschien wel bijna mee opgehouden.

Maar ik ben al bijna anderhalf jaar bezig. Ik heb al meer dan 80 mails naar mijn inschrijvers gestuurd, en nu pas, NU PAS, krijg ik een berichtje van iemand wier ongenoegen zo groot is gegroeid dat ze mij er deelgenoot van moest maken.

En in de tussentijd heb ik al zoveel tijd gehad om te wennen aan mijn stem. Om zelfvertrouwen op te bouwen. Geholpen door tientallen superpositieve mailtjes, mensen die op LinkedIn ongevraagd mijn nieuwsbrief aanprijzen, mensen die me complimenten sturen in berichtjes, en zelfs eens iemand die me belde om te zeggen dat ie m’n nieuwsbrief zo leuk vond.

Het is zó bijzonder om berichten te krijgen van mensen die je werk lezen en zeggen dat ze er iets aan hebben gehad.

En tegen de tijd dat je je eerste haatmail krijgt, heb je een buffer van positieve berichten om de haat tegen te gaan.

2. Haatmail gaat niet over jou, maar over de verzender

Want lees het mailtje dat deze persoon me stuurde nog eens goed, en je leest tussen de regels door alleen maar: “dit past niet bij mij”. Dat is geen haat, dat is gewoon een botsing van leefregels.

Het feit dat zij blijkbaar een regel heeft dat je geen “”automatische mails zijn kut” in emailheadlines mag schrijven betekent niet dat ík die regel ook moet hebben. Het betekent alleen dat zíj die regel heeft.

En dus zegt ze, terecht, dat wanneer iemand die regel overtreedt, dat het resultaat is dat zíj diegene niet vertrouwt. Ze zegt niet dat ik onbetrouwbaar ben, ze geeft alleen maar een logisch gevolg aan van een regel die zij hanteert, en de botsing daarvan met mijn gedrag.

En honestly: wie ben ik dan om daar iets van te vinden?

Het enige dat ze zegt, is: ik lust geen koriander. Nou, prima! Dan is naar Vietnam gaan misschien niet je beste keuze, maar dat wist je misschien ook niet van tevoren. No hard feelings als je naar Thailand vertrekt 🙂

3. Wat groeit, gaat soms knellen

Het percentage mensen dat zó over de zeik van je raakt dat ze hun eigen ongemak persé bij jou over de schutting moeten slingeren, is – geruststelling – behoorlijk klein. Maar hoe klein het percentage ook is: als je zelf groot genoeg groeit wordt de kans dat je er eentje tegen het lijf loopt steeds groter.

Betekent dat dat je je er wat van aan moet trekken? Nee. Het feit dat sommige mensen geen koriander lusten, betekent niet dat je dan maar stamppot moet serveren.

Zie het in plaats daarvan als een teken dat je marketing z’n werk doet. Het stoot mensen af die niet van koriander houden. Waarom zou je een korianderhater in je korianderrestaurant willen hebben? Ik zou er niet aan moeten denken om iemand als klant te hebben die niet door mijn grappen en grollen heen kan prikken.

Kom je je eerste hater tegen? Gefeliciteerd! Da’s een signaal dat je groeit.

Begin gewoon.

Het punt dat ik probeer te maken is: je hebt wél wat belangrijks te zeggen, ook al denk je zelf van niet. Want je kunt niet weten welk deel van wat er in je hoofd gebeurt waardevol is totdat je het test.

Dus begin gewoon. Begin met schrijven. Start een blog, podcast, youtubeserie – wat dan ook. Laat je angst over wat mensen ervan vinden maar even liggen, want dat gaat toch nog erg lang duren voordat je groot genoeg bent om ook mensen tegen de haren in te strijken.

Voor nu, zolang je een klein publiek hebt, ben je veilig om te experimenteren. En tegen de tijd dat je groot genoeg bent voor haters, kun je ertegen.

Hulp nodig bij het starten?

Dan is het Schrijversclubhuis misschien iets voor jou.
Je hoeft ’t niet alleen te doen – in het Schrijversclubhuis schrijven we samen met een klein groepje (we zijn nu met 6) enthousiaste, creatieve wezens elke vrijdag aan onze content practice.

Het resultaat is dat het GEBEURT. Het lukt. Het werkt. Wat vast zat, komt los. Iemand verstuurt net haar tweede nieuwsbrief, een ander produceert haar eerste persoonlijke blogartikel.

We praten er samen over (in de schrijfsessies, kort, maar ook in de maandelijkse coachingsessie en in de dagelijkse chatgroep op Slack), over die weerstand en de angst en al die gedachten die je proberen pootje te haken als je iets moois probeert te maken. En dan lossen ze op. Of klaren ze in elk geval genoeg op, tijdelijk, om door de waas heen iets af te kunnen maken.

Het beginnen met je practice is het halve werk. Zodra je eenmaal een routine in je maakproces krijgt, wordt het steeds makkelijker. Je vindt geleidelijk je eigen stem, je eigen boodschap. En die is misschien niet voor iedereen, maar voor diegene die het nét even moesten horen, kun je een life saver zijn.

Hoe lang ga jij jouw stem nog voor jezelf houden?

Schrijf je hier in voor ’t clubhuis. We’d love to have you there.